De kok van vorst Wen Hui

De kok van vorst Wen Hui
was een os aan het slachten.
Hij strekte zijn hand uit
en daar viel een schoft,
hij zette zijn voet neer,
gaf druk met zijn knie,
en de os viel uiteen.
Fluisterend als een lentebries
deed zijn scherpe mes zijn werk.
Ritme! Het juiste moment!
Als een heilige dans,
als een landelijk liedje,
als oeroude harmonieën!

‘Goed werk!’ riep de vorst uit,
‘Uw methode is vlekkeloos!’
‘Methode?’ zei de kok, terwijl
hij zijn mes terzijde legde,
‘ik volg slechts het Tao,
alle methoden te boven!

Toen ik begon
met het slachten van ossen
zag ik de hele os
als één geheel voor me.
Na drie jaar
zag ik dat geheel niet meer.
Ik zag de afzonderlijke delen.

Maar nu zie ik niets
met mijn ogen. Mijn hele wezen
neemt de os in zich op.
Mijn zintuigen zwijgen. De geest,
vrij om zonder plan te werken,
volgt zijn eigen instinct.
Geleid door natuurlijke lijnen,
geheime openingen, verborgen ruimtes,
vindt mijn mes zijn eigen weg.
Gewricht noch bot hakt het stuk.

Tussen de gewrichten zijn openingen
en het lemmet is dun en scherp:
Als deze dunte
die opening vindt
heeft ze ruimte genoeg!
Ze beweegt als een lentebries!
Daarom is dit mes al negentien jaar lang
zo scherp alsof het pas geslepen is!

Het is waar, soms stuit ik
op taaie gewrichten. Ik voel het
bij voorbaat en ga langzaam te werk,
kijk nauwkeurig, houd mijn mes tegen,
het beweegt bijna niet, en baf! –
het stuk valt eraf
en landt als een brok klei
op de grond.

Dan trek ik het lemmet terug,
ik sta stil
en laat de vreugde van het werk
in me bezinken.
Ik maak het mes schoon
en leg het weg.’

Vorst Wen Hui zei:
‘Dat is het! Mijn kok
heeft mij getoond
hoe ik moet leven!’

Tswang - tse

FaLang translation system by Faboba